maandag 29 februari 2016

SCHAATSEN BERGOPWAARTS

Schaatsers van nu zijn verwend met hun spiegelgladde ijs en hun overdekte hallen. Pleidooi voor schaatswedstrijden op de weg, en liefst ook in het hooggebergte.

Een wereldkampioenschap schaatsen noemen ze het. Maar het heeft
net zoveel met schaatsen te maken als aardbeienijs met aardbeien.
We hebben hier van doen met een synthetische sport. Het moet allemaal op kunstijs, want anders zou je kunnen struikelen. En overdekt, want stel dat er een briesje opsteekt. Of dat de zon gaat schijnen. Of dat er neerslag valt, in welke vorm dan ook.

Hoeveel meer respect verdienen dan de marathonrijders, die alleen
op kunstijs rijden als het echt niet anders kan. Ze zeuren zelfs niet
als ze moeten rijden op ijs dat is besneeuwd, half ontdooid, gescheurd
en vervolgens weer bevroren, en dat tot drie maal toe. Ha, natuurijs! Als er een valt en bijna wordt onthoofd door andermans schaats, stelt het slachtoffer vast dat hij pech heeft gehad, of dat hij beter had moeten uitkijken. Geen jeremiades over onvoldoende mogelijkheden voor een optimale mentale voorbereiding. Hij laat zijn wonden hechten, rijdt het gat met het peloton dicht, en demarreert.

Niet e-e-n 'wereldkampioen all-round' heeft ooit een verdienstelijke
Elfstedentocht gereden. Terwijl de beste schaatser toch diegene moet zijn, die onder de slechtste omstandigheden het veld achter zich laat. Gelukkig is er een sport waar het schaatsen een voorbeeld aan kan nemen. Dat is het wielrennen. Wielrennen en schaatsen hebben veel gemeen, omdat overwegend dezelfde spieren erbij worden ingeschakeld.

Schaatsers, Falko Zandstra uitgezonderd, kunnen goed fietsen; wielrenners schaatsen meestal heel behoorlijk. Maar volkomen terecht is het hardfietsen op de baan een onbelangrijk randverschijnsel. Op de weg wordt bepaald, wie 'wereldkampioen fietsen' wordt. In het wielrennen wordt geschiedenis geschreven tijdens hagelbuien en hittegolven, op de kinderhoofdjes en natuurlijk in de bergen. Zo hoort het.

Tot voor kort hadden schaatsers een handicap. Echt ijs is er zelden
en gedurende ruim de helft van het jaar is zelfs rijden op
kunstijs niet mogelijk. Maar tegenwoordig zijn er skeelers en bestaat er schaatsen op de weg. Elk jaar kan er een Elfstedentocht worden verreden, en de mooiste delen van het traject zijn die waar klinkers liggen. Het is onbegrijpelijk dat deze tak van sport een kwijnend bestaan leidt. Hoe mooi zou het zijn: Parijs-Roubaix op skeelers!

Een taboe dat onverwijld dient te worden doorbroken, is dat op schaatsen in de bergen. IJs ligt meestal waterpas, dus het is te verklaren dat de organisatoren van skeelerwedstrijden nog nooit op het idee zijn gekomen om de Keutenberg, de Posbank of de Muur van Huy in hun parkoersen op te nemen. Maar er is geen enkele reden om dat niet te doen. (Overigens bewijzen bobsleebanen dat juist kunstijs heel mooi kan hellen. Daar liggen ook mogelijkheden.)

Fietsers hebben in de heuvels versnellingen nodig. Die moet je
kopen, je moet de juiste aantallen tandjes kiezen en je kunt
verkeerd schakelen. Dat is lastig. Schaatsers hebben op dat gebied
geen problemen. Ze hebben een automatische, continu variabele
transmissie. Ga maar na: een schaatser zet zijn schaats schuin
naar voren gericht op het ijs of op de weg. Hij drukt zijn voet opzij
en daardoor moet de schaats naar voren. De 'versnelling' zit hem
in de hoek van de schaats ten opzichte van de voortbewegingsrichting.
Bijna recht is veel meters per slag, dus een hoge versnelling.
Een 'lange slag'. Een sterk naar buiten gerichte schaats maakt
weinig meters per slag en levert dus een lage versnelling op. Daarmee
kun je snel optrekken of tegen een helling op komen.
Tijdens wedstrijden op de lange baan is dat goed te zien: bij de start
van de 500 meter zie je extreem korte slagen, op de lange afstanden
zijn ze veel langer. Tegen de wind in zouden ze weer kort zijn.
Schaatsers hebben, kortom, alle noodzakelijke uitrusting om hellingen
van tien procent en meer te bedwingen.

Alles pleit er dus voor om onze schaatsers nog deze zomer het hooggebergte in te sturen. Op wieltjes. Wie is de betere klimmer: de stilist Zandstra, of Koss, de man van het grote verzet? Wat kunnen we op l'Alpe d'Huez verwachten van de Spaanse en Colombiaanse schaatsers? En vooral: zal Ben van der Burg zijn slag kunnen slaan in de afdaling van de Col de Menté? Zo zoek je uit wie de sterkste is op schaatsen, en niet anders.

Het zal natuurlijk niet gebeuren. De kernploeg draait vlakke rondjes
op een vers gepolijste ijsvloer. Ze zetten de CV een graadje hoger en bedelen om een extra dweilpauze. Deze vorm van voortbewegen wordt verder nergens beoefend. Dit is geen schaatsen, dit is een wereldkampioenschap. En de wereldkampioen is wereldkampioen in het rijden van wereldkampioenschappen.

(Gepubliceerd in NRC Handelsblad. Datum onbekend maar vóór 1995.)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen