vrijdag 13 juli 2018

TENNIS FOR EVER

NRC Handelsblad 4-6-'92

6-3, 5-7, 29-27. Het gebeurde in 1991 tijdens Wimbledon,
helaas in het gemengd dubbel dat niemand interesseert. In de
laatste set spelen we geen tie-break, we gaan door tot het
scorebord twee games verschil laat zien. We gaan door, zelfs
als de aardbeien op zijn. New balls, please. En nieuwe
lijnrechters, maar geen nieuwe spelers. Iedere dag kan het weer
gebeuren. Het kan zelfs veel erger.

Er waren drie Nederlanders bij: Brenda Schultz, Michiel
Schapers en Tom Nijssen. Voorts een dame uit een ver land,
een zekere Temesvari. Uren lang moeten ze zeker geweten
hebben dat het noodlot ze bij de lurven had. Dit potje tennis
zou nooit een einde kennen. Voor zover ik weet zijn er geen
beelden rond de wereld gegaan van deze beproeving. Het
is geen boksscheidsrechter-krijgt-kaakslag, goed voor 20
seconden Journaal. Je moet het allemaal zien om de ware
omvang van het drama te bevatten, de volle vier uur. Kregen
ze bij 20-20 de slappe lach? Gingen ze van lieverlee allemaal
steeds meer op Ivan Lendl lijken? Hoeveel gevallen van
uitputting waren er te melden op de tribune?

De eigenaardigheden van het tennis zijn niet te tellen. De
malle puntentelling is er een. Het is een districtenstelsel
in het kwadraat, zoals dat alleen in het Verenigd Koninkrijk
kan ontstaan. Wie meer sets wint dan de ander hoeft nog niet
meer games te hebben gewonnen. En het aantal gewonnen games
op zijn beurt zegt nog niets over het aantal gewonnen
slagenwisselingen, terwijl het om dat laatste bij evenredige
vertegenwoordiging eigenlijk zou moeten gaan. Het feit dat
een gelijk spel niet mogelijk is een andere rare eigenschap -
al komt dat bij afvaltoernooien als Wimbledon natuurlijk goed
uit.

Maar verreweg de meest huiveringwekkende karaktertrek van het
tennis is het feit dat niemand ooit de garantie heeft dat een
eenmaal begonnen partij ooit ten einde zal komen. Dat is
zelfs het geval tot de derde macht. Eerste macht: iedere
rally kan in principe oneindig lang duren. Niemand
hoeft de bal uit of in het net te slaan. Kwadraat:
zolang de spelers netjes om beurten een punt scoren zal
niemand ooit de betreffende game op zijn naam schrijven.
Precies om beurten is niet eens nodig omdat voor de winst een
voorsprong van twee punten nodig is. Derde macht: ook voor
elke set ligt de oneindigheid eeuwig op de loer. Omstebeurt
een game winnen - precies om beurten hoeft niet - en je hebt
levenslang.

De gruwel zit 'm hierin, dat Schapers en Schultz en hun
tegenstanders bij de stand 28-27 geen flauwe notie hadden wat
hun te wachten stond: een 29-27 overwinning, een 183-185
nederlaag of een open einde. Het had door een
zuidamerikaanse generaal bedacht kunnen zijn. Blijkbaar zijn
tennissers er nogal zeker van dat het spelletje eens ophoudt,
want onzekerheid hieromtrent lijkt me teveel voor zelfs de
meest weerbare geest. Toch maak ik me sterk dat de spelregels
nergens een grens trekken. Als het duister invalt verdaagt de
umpire de partij, maar wat doet hij na vier dagen bij de
stand 512-all? Volgens mij is er nooit over nagedacht.
De positieve kant hiervan voor de spelers is dat het hun
vakbond een magnifiek wapen in handen geeft. Kon een
decennium of twee geleden een staking van topspelers het
toernooi niet klein krijgen, een stiptheidsactie van twee
vrijwilligers kan het hele evenement lam leggen, beter nog
dan de regen dat kan.

Goed beschouwd is het een wonder dat de Oneindige Partij nog
steeds niet is begonnen (want dan zouden we het langzamerhand
wel weten). Het is een aanwijzing dat de kans op zo'n
wedstrijd microscopisch klein is. Maar de meest fundamentele
van alle natuurwetten, de Wet van Murphy, zegt dat iets wat
kan gebeuren ook zal gebeuren, bij voorkeur op
een ongelegen ogenblik. Dat geldt voor lekke banden, voor
kerncentrales en voor tennis. De wetten van de statistiek
bevestigen dat. Als er maar genoeg tijd verstrijkt zullen
partijen van elke denkbare lengte zich eens voordoen. Wij
wensen u een plezierig toernooi.

dinsdag 5 juni 2018

Véértig in z'n 5


NRC, 18-8-2007

Van de overheid moeten we tachtig rijden in z'n vijf. Maar wat betekent dat? Is de 'vijf' de voordeligste versnelling als je tachtig moet rijden? Of is tachtig de zuinigste snelheid, en des te meer wanneer je de vijfde versnelling gebruikt? Wat is precies de beste combinatie van snelheid en versnelling? Een onderzoek.

De meeste mensen hebben geleerd op te schakelen van één naar twee bij zo'n twintig km per uur. Naar de derde gaan ze bij veertig, naar de vierde bij zestig en uiteindelijk komt bij een kilometer of tachtig de vijf in beeld. Schakel je per ongeluk bij twintig naar z'n vier, dan merk je dat de motor dat niet leuk vindt. Omgekeerd, in de tweede versnelling haal je niet de snelheden die je in z'n vier wel bereikt. Iedere versnelling heeft een ideale snelheid. Maar waar ligt die precies? En is de zuinigste snelheid in de vijfde versnelling zuiniger of minder zuinig dan de zuinigste snelheid in de vierde?

Om deze vragen te beantwoorden kozen we een traject ergens in Nederland van ruim vijf kilometer lang, vrijwel recht, vrijwel vlak en vrijwel uitgestorven. We reden op de cruise control, rond het middernachtelijk uur (om geen last te hebben van anderen en om geen last te veroorzaken) en steeds in beide richtingen, om de invloed van mogelijke hoogteverschillen en wind te elimineren. Onze auto was een Toyota Yaris Verso. Uiteraard zouden bij een andere auto, met een andere motor, andere versnellingsbak en andere aerodynamica de cijfers anders worden, maar de waargenomen trends zeker niet.

We reden tachtig in z´n drie, vier en vijf. Elke vijf seconden werd de aanwijzing op het dashboard van het benzineverbruik genoteerd. De getallen werden per rondrit gemiddeld. Het verbruik was respectievelijk 1 op 16,86, 1 op 19,57 en 1 op 21,62. Meer dan twee km/L extra door een hogere versnelling! Negentig rijden verhoogde het verbruik met wel tien procent: in z'n vier werd het 1 op 17,77 en in z'n vijf 1 op 19,88. Negentig in de derde versnelling hebben we niet geprobeerd - met tachtig maakte de motor al zo'n herrie en kostte het al zoveel brandstof. Hogere snelheden werden ook geschrapt. We zochten de zuinigheid, niet de verspilling.

We vermoedden dat bij een of andere lagere snelheid de vierde versnelling zuiniger zou worden dan de vijfde. Dit vermoeden bleek volkomen onjuist. Hoe langzamer we reden, hoe zuiniger álle versnellingen werden, maar de vijfde bleef fier de spaarzaamste. 1 op 23,77 bij 70, 1 op 25,20 bij 60 en 1 op 27,32 bij 50 km per uur. Uiteindelijk reden we, elkaar verbijsterd aankijkend, 1 op 29 bij veertig km per uur - in z'n vijf. Dit hielden we gedurende een kwart van het parcours vol, genoeg om een vergelijking met de andere snelheden mogelijk te maken. Toen noopte een gevoel van onveiligheid ons het experiment te beëindigen. Een toevallige weggebruiker kan om één uur ´s nachts makkelijk denken dat hij ongestraft harder dan honderd kan rijden.

Later nog eens kort geprobeerd dertig te rijden in z´n vijf, maar de cruise control weigerde dat. Intussen hing de conclusie boven de markt dat 0 km per uur (in z'n vijf) het allerzuinigst moest zijn, wie weet oneindig zuinig. Grafische analyse van de metingen laat zien dat de waarden voor de vijfde versnelling bij deze auto op een kaarsrechte lijn liggen, die bij 0 km per uur een waarde aanneemt van 36 kilometer per liter. De andere versnellingen blijven, voor zover de metingen reiken, op eerbiedige afstand van twee respectievelijk vijf kilometer per liter.

Ir. Edwin de Vries, expert op het gebied van ´automotive´ bij de TU Delft, is minder verbaasd dan wij: "Zolang het nog 'rijdbaar' is, is de hoogste versnelling de zuinigste." Bij lage snelheid in een hoge versnelling kan volgens hem een motor op een gegeven moment een hobbel of een zuchtje wind niet meer de baas, en zal hij afslaan. Ook optrekken hoef je niet te proberen.

Maar wat de overheid ook zegt, als wij op het vlakke in z'n vijf veertig rijden in plaats van tachtig, komen we zo'n 34% verder met een tank benzine.

vrijdag 18 mei 2018

We slaan maar een slag naar de risico's van tech

(THINK, 2016 [updated 2018])

Moeten we bang zijn voor de Revolutie van de Robots? Blikken mannetjes die de macht overnemen? Of juist kunstmatige intelligentie zónder armpjes en beentjes van ijzer? Heilzaam of gevaarlijk? De computer HAL in de film 2001, A Space Odyssey liet in 1968 al zien waar mensen bang voor waren qua op hol geslagen computertechniek. Sorry Dave, I can't let you do that.

ECP, een belangenorganisatie van de digitale industrie, vindt dat we niet zo bang moeten zijn. Dat is slecht voor de innovatie. ECP werkt aan een gedragscode voor kunstmatige intelligentie dus alles  komt goed.

Direct betrokkenen die de gevaren maar overdreven vinden. Twee jaar geleden had je dat ook.
60% van de deskundigen zei in een enquète te verwachten dat het wel losliep met de gevaren van kunstmatige intelligentie. Een kwart was er minder gerust op. Ik denk in zo'n geval onmiddellijk: als ik net als zij mijn brood verdiende in die sector, zou ik ook niet al te hard waarschuwen. Intussen waarschuwen verschillende mensen met een heel relevante achtergrond juist wel, bijvoorbeeld superondernemer Elon Musk en onlangs overleden stergeleerde Stephen Hawking. Zijn hebben géén verstrengelde belangen dus zijn allicht objectiever.

Maar laten we ook eens kijken naar soortgelijke gevallen uit het verleden. Rond 1980 werd gewaarschuwd voor de 'tovenaarsleerlingeffecten' van sleutelen aan genen. Deskundigen met een salaris spraken sussende woorden; milieubeschermers en andere onafhankelijke lieden hieven het vingertje. In dit geval bleken de experts, belangen of niet, gelijk te hebben. Ik weet nog hoe een prominent onderzoeker het me in een paar woorden uitlegde: een bacterie die wij een medicijn laten produceren, is daar energie aan kwijt. Die staat als hij ontsnapt dus altijd op achterstand ten opzichte van zijn concurrenten in de natuur, en zal niet overleven. De natuur sleutelt en muteert trouwens veel harder dan de mens dat kan. Inmiddels wordt er al decennia door de mens aan genen gesleuteld zonder ongelukken.

Als je meer van dit soort gevallen bekijkt, valt op hoe waardeloos toekomstvoorspellingen altijd zijn geweest – de waarschuwingen én de heilsverwachtingen. In de jaren '50 en '60 leken vliegende auto's binnen handbereik, net als spotgoedkope energie uit kernfusie en robots voor het huishouden. En kijk nu eens, vijftig jaar later: de vliegende auto is nog stééds over twee jaar op de markt, en er komen nog altijd hoopvolle persberichten uit de kernfusielaboratoria. De zorgrobot is het paradepaardje van Eindhoven en Delft. Alleen moeten video's van wedstrijden tussen zulke robots met een factor tien worden versneld, anders beweegt er niks.

Iedereen heeft het altijd mis. De eerste gebruikers van het kersverse internet zagen begin jaren '90 alleen maar schitterende mogelijkheden. Een krachtig hulpmiddel voor het onderwijs. Een steun in de rug voor de democratie. Onbelemmerde ontplooiing voor iedereen. Culturele vernieuwing. In plaats daarvan zitten leerlingen in de klas nu te facebooken en te snapchatten. Politici worden uitgescholden en bedreigd op sociale media. Alleen de allerkortste berichten en video's worden behoorlijk bekeken. En de grote culturele vernieuwing van deze eeuw is het YouTube-kanaal van Enzo Knol. Omgekeerd waren ook de angsten voor umts-masten die tien jaar geleden tot een proces leidden, vrijwel zeker onterecht.

En om het nog een keer om te draaien, waar zijn de angsten als je ze nodig hebt? Voor klimaatverandering is in de vorige eeuw terecht gewaarschuwd maar er is ten onrechte niet naar geluisterd. En dan dit: stel ik presenteer een nieuwe technologie een wervend praatje. Het maakt het leven van mensen leuker en makkelijker, gaat massa's banen scheppen en de welvaart aanmerkelijk verhogen. Het is verder prima tegen eenzaamheid. Er is alleen één kleinigheid: het kost ruim een miljoen doden per jaar, drie keer zoveel als alle oorlogen en moorden samen. Maar dat is het wel waard, toch?

U schopt me waarschijnlijk de straat op, waar ik prompt word geschept door een voorbijkomende automobiel.

Ik heb het natuurlijk over het gemotoriseerde verkeer. Dat van die doden waren ze in 1900 even vergeten te voorspellen.

Gezien het bovenstaande verwacht ik dat kunstmatige intelligentie gevolgen zal hebben die nu door niemand worden voorzien. Maar het zal ons onvermijdelijk overkomen, we zullen eventuele rampspoed onbewust accepteren en over honderd jaar zal niemand zich een wereld zónder kunnen voorstellen.


dinsdag 15 mei 2018

De recensies

(NRC Handelsblad, december 1998)

Het lijkt wel of de televisierecensenten gisteren hadden afgesproken elkaar niet in de wielen te rijden. Vijf besprekingen, geen enkele doublure. Dat wijst op een televisieaanbod zonder hoogtepunten, zonder verplichte nummers, zodat ieder zijn eigen plan kon volgen.

Han Lips in Het Parool besteedde zijn halve kolom tabloidformaat aan het navertellen van een aflevering van The Simpsons op BBC 2. De  vraag 'Is dit leuk?' beantwoordde hij met 'Gisteren wel,' jammer genoeg zonder te zeggen waarom. Lips besloot curieus met: 'Toch moet de les zijn dat je nooit moet proberen een aflevering van The Simpsons na te vertellen.' Die les had hij logischerwijs geleerd voordat hij zijn stukje inleverde, maar kennelijk te kort voor de deadline om er zelf van te profiteren.

AD's 'Ik' had gekozen voor Radar, de consumentenrubriek van de TROS, die deze keer ging over postorderleed. Beschreef wat eigen postorderproblemen en een paar gevallen uit de uitzending. Verder eigenlijk niets. Het Parool en het AD maken het zichzelf moeilijk met recensies van niet meer dan 250 woorden maar doen geen moeite het beste ervan te maken. Gisteren in ieder geval kwamen ze niet boven het niveau van paginavulling uit.

Ruud Verdonck, het media-instituut van Trouw, nam de KRO-avond onder de loep en kwam wèl verder dan een beschrijving van wat hij had gezien. Hij schetste het langzaam groeiende succes van de komedie Toen was geluk heel gewoon en maakte melding van zijn weerzin tegen de truttigheid van dit programma. Terecht, een recensent moet zijn mening niet verhullen. Er volgde een vergelijking met de inzakkende populariteit van Ook dat nog, en Verdonck kwam met de hypothese dat de dalende kijkcijfers van dit programma Aad van den Heuvel welgevallig zouden zijn. Dat Van den Heuvel bij de KRO min of meer gedwongen wordt met dit succesvolle programma door te gaan is interessante achtergrondinformatie. Maar de suggestie dat bij Ook dat nog studiogasten zijn geïntroduceerd om het programma minder consistent te maken en het zo´een stapje terug' te laten doen is vergezocht. Verdoncks stukje eindigde nogal ongelukkig met een volkomen mislukte zin over Toen was geluk heel gewoon: 'Maar het blijft elke week weer vreselijk wennen, dat dit blijkbaar het leukste is wat hier te bieden valt.' Lesstof voor het VWO of de School voor Journalistiek: maak deze zin korter, correcter en duidelijker.

NRC geeft zijn recensent twee keer zoveel ruimte als Trouw doet, en drie keer zoveel als het AD en Het Parool. Maarten Huygen kan dus vrij zorgeloos uit programma's citeren en hun sfeer beschrijven. Ook kan hij meer programma's behandelen. Zijn mening geeft hij vooral tussen de regels door: naar aanleiding van Taxi gaf hij gisteren zijn eigen voyeurisme toe en stelde hij vast, niet wereldschokkend, dat leed de grondstof is voor de beeldindustrie. Van Dokument: Westeinde, over een ziekenhuis in Den Haag, prees hij de afstandelijke cameravoering. Huygen vertoont geen Frits Abrahams-complex maar kan zijn voorganger nog niet doen vergeten.
Als enige had de recensent van NRC het interview met Connie Palmen gezien van BBC World. Inderdaad een buitenkansje; journalisten van overzee die zich komen afvragen wat er zo goed is aan dit succesnummer. Huygen had wel mogen benadrukken dat hij dit interview kon zien dank zij het verdwijnen van CNN van de Amsterdamse kabel. BBC World is daarvoor immers in de plaats gekomen. Na alle gedram over CNN door de Jan Blokkers van deze wereld had dat geen kwaad gekund.

In De Volkskrant trok Cornald Maas van leer tegen de produkten die de commerciële televisie maakt van de grondstof leed. Een makkelijk doelwit, al was Maas nog te mild over Robert ten Brink. Hij noemde All you need is love 'onschuldig', maar het feit dat er nu veel meer van dergelijke troep wordt gemaakt dan in het beginjaar 1992 lijkt me nauwelijks een argument. Waarom mensen wel tegen zichzelf beschermd moeten worden als ze brieven schrijven aan Hennie Huisman en niet als Ten Brink de geadresseerde is, ontgaat me. Een eye opener was Maas' waarneming dat in het emotionele duw- en trekwerk vrouwen langer weifelen, en dan krachtiger besluiten dan mannen. Waar zijn eigenlijk de vrouwelijke recensenten?

woensdag 9 mei 2018

Online reclame moet 'licht' en veilig zijn


(FD 2015)

Het gebruik van adblockers is begrijpelijk want veel reclame is opdringerig in niet leuk, stelt VEA-directeur Wijnnobel in deze krant (21 oktober). Het is goed dat de branche de hand in eigen boezem steekt. Maar Wijnnobel ziet een aantal belangrijke redenen om adblockers te gebruiken over het hoofd. Het is daarom onvoldoende om, zoals Wijnnobel en anderen in het artikel voorstellen, advertenties minder irritant te maken.

Een belangrijk probleem met online advertenties is dat ze te 'zwaar' zijn: ze bevatten teveel data. Bij pc's met vaste verbindingen leverde dit alleen ergernis op doordat pagina's trager laadden. In het mobiele tijdperk knellen die zware advertenties aan alle kanten. Ze laten allerlei onderdelen van smartphone, tablet of laptop harder werken en bekorten zo de batterijduur. Een adblocker kan het verschil betekenen tussen het volgende stopcontact halen met een werkend apparaat, of niet. En een lege accu kan een dure grap zijn als je daardoor cruciale berichten mist of belangrijke informatie niet kunt zoeken.

Alle data die nodig zijn voor reclame trekken ook een wissel op de databundel van de gebruiker. Die is daardoor eerder op. Een opgebruikte databundel heeft óók tot gevolg dat je niet verderkunt, tenzij je ter plekke data bijkoopt bij je provider of een duurder abonnement neemt. Hier kan een adblocker een concrete financiële besparing betekenen.

Dat dit geen fictie is, is onlangs gebleken door een onderzoek van de New York Times. Die nam vijftig Amerikaanse nieuwssites onder de loep. Uit de metingen bleek dat bij negen van de tien sites advertenties een- tot tweederde van de data voor hun rekening nemen. Een adblocker scheelt dus echt een slok op een borrel.

Commerciële boodschappen moeten daarom behalve onderhoudender ook 'lichter' worden. Oppervlakkig bezien zijn die twee met elkaar in strijd. Met kleur kun je meer dan met zwartwit. Met bewegende beelden meer dan met stilstaande. Mét audio, 3D of interactiviteit meer dan zonder. In alle gevallen kosten rijkere opties in principe meer data. Dat wordt dus een hele uitdaging. Maar bewuster ontwerpen is waarschijnlijk al een goed begin.

Het doel moet zijn dat de eindgebruiker een verwaarloosbaar percentage van zijn data kwijt is aan reclame (dan zal het beslag op de accu evenredig meedalen). 10% zou een goede norm kunnen zijn. In het onderzoek van de New York Times zijn al sites te vinden die daaronder blijven, namelijk The Guardian en Yahoo. Het kan dus. Websites en reclameïndustrie hebben hierbij een gezamenlijk belang en moeten dus samenwerken: reclamemakers moeten data-arm ontwerpen, maar alleen de websites kunnen berekenen of de redactionele content van een pagina en de bijbehorende reclame met elkaar in verhouding staan.

Is daarmee alles geregeld? Zeer zeker niet. Advertenties vormen ook een serieus veiligheidsprobleem. In het recente verleden zijn verschillende grote Nederlandse en internationale nieuwssites door cybercriminelen misbruikt om via advertenties virussen te verspreiden (die daarna de eigenaar van het besmette apparaat konden proberen te bestelen). Deze zomer was Yahoo nog slachtoffer van een degelijke actie. Er zijn experts op het gebied van computerveiligheid die aanraden een adblocker te gebruiken, puur uit oogpunt van beveiliging.

Om dit probleem op te lossen is het bijvoorbeeld nodig dat Flash, de programmeertechniek voor webpagina's, wordt afgeschaft. Deze zit vol lekken die de computers van eindgebruikers openstellen voor 'malware.' Maar ook moeten de servers van advertentiemakelaars beter worden beveiligd, zodat criminelen niet zomaar hun kwaadaardige advertenties tussen bona fide reclameuitingen kunnen smokkelen.

De opdracht voor de reclameïndustrie is, kortom, heel wat ingewikkelder dan wat meer entertainment in advertenties stoppen.