vrijdag 20 april 2018

Internet in een jonge wereld (1997)


Vandaag, 21 april 2018, is in het nieuws dat de 'prestaties' van kinderen bij de gymles behoorlijk achteruitgaan. Vangen van een bal is vaak al een probleem. De onderzoekers zien een verband met minder bewegen en met meer gamen en sociale media. Beperken van schermtijd wordt steeds meer bepleit. 
Meer dan 20 jaar geleden werd hoog opgegeven van alle goeds dat computeren kinderen zou brengen. Zo zou werken met de muis goed zijn voor de oog-handcoördinatie. Maar dat dat vooral hysterie was, was echt wel te zien voor wie goed keek. In die tijd schreef ik dit stuk, waarvan een verkorte versie verscheen in mijn boek 'Mythen van het computertijdperk' (Meulenhoff). Ik pleit hier onder andere voor schaar en papier in plaats van gedoe met de muis. Zwaarlijvigheid en slecht worden in gym stonden nog niet op mijn radar.


Over kinderen en computers zijn de meest verschrikkelijke misverstanden in omloop.

Het begint al met de wijdverbreide mening dat kinderen handig zijn met computers. Dat zijn ze niet. Ik vraag u: zijn kinderen handig op de fiets? Ja, onder de juiste omstandigheden leren ze er snel gebruik van te maken (je moet ze niet dwingen iets te leren). Maar op de buitenwereld maakt dat weinig indruk, omdat iedereen kan fietsen. Bovendien ziet iedereen die kan fietsen dat kinderen in eerste instantie veel niet kunnen: zich houden aan de verkeersregels bijvoorbeeld.

Dus waarom vinden sommige mensen dat kinderen handig zijn met computers? Omdat ze zelf onhandig en angstig zijn, en omdat ze het normale leervermogen van kinderen voor iets mystieks verslijten zodra er computers in het spel zijn. De meeste kinderen beheersen op de computer een enkel trucje, hun favoriete spelletje bijvoorbeeld, en worden daarin snel vingervlug. Ik herinner me nog de openvallende mond van mijn buurman toen mijn zoon, drie jaar oud, zonder één aarzeling het commando BLOAD"CAS:",R intikte. Aap-noot-mies kende hij niet, maar dit wel.

Kinderen kunnen uit het hoofd leren, maar hebben geen ervaring. Zelf zie ik door mijn computerkennis wat ze in eerste instantie niet kunnen. 'Pappa kun je even komen, m'n verhaal is weg.' (Door een verkeerde klik is de tekst uit beeld geschoven.) 'M'n wachtwoord klopt niet meer.' (Tikfoutje, opnieuw proberen.) 'Ik wil stoppen, hoe moet dat?' (Control + Q, het staat er.) 'Het spelletje werkt niet.' (Verkeerde CD.) 'Niks werkt meer!' (Er ligt een boek op een knop van het toetsenbord.) Noemt u dat handig?

Natuurlijk zijn er kinderen die echt talent hebben voor 'computeren'. Maar er zijn ook pianisten en voetballers in de dop, dus ook dat is niets bijzonders. Een van mijn kinderen is op de computer inderdaad vrij handig, en kan zich er daardoor over verbazen hoe weinig zijn klasgenootjes kunnen. Net als veel volwassenen kunnen ze een briefje schrijven en een spelletje doen en niet veel meer.

Reden temeer om de computer in het onderwijs in te zetten, denkt u nu, liefst al in het basisonderwijs. Nee. Niet doen.

Onlangs schreef minister Van Boxtel op zijn website: 'Waarom zou je kinderen wel leren vingerverven of hutten bouwen en niet leren op een leuke en verstandige manier met computers om te gaan?' Het antwoord is, dat het niet nodig is. Het idee dat je dit als volwassene niet meer zou kunnen leren, wordt gelogenstraft door de talloze ouderen die op het ogenblik met succes internetcursussen volgen. Het enige vereiste is eigen nieuwsgierigheid (je moet ze niet dwingen iets te leren) en een beetje tijd - en deze zaken hebben senioren in ruimere mate dan werkende volwassenen.

Kinderen zullen later niets hebben aan de computerervaring die ze nu opdoen. Een jonge volwassene van nu zou tien jaar geleden op de basisschool met de tekstcommando's van MS-DOS hebben moeten werken. Twintig jaar geleden zou hij hebben moeten programmeren. Misschien een leuke start van een carrière in de ICT, maar voor de huidige kantoorpraktijk bijvoorbeeld volkomen irrelevant. En wat je nu leert, is over tien of twintig jaar weer nutteloos. Met computers moet je alleen leren wat je vandaag nodig hebt. De benodigde basisvaardigheden worden alleen maar makkelijker; het zal dus steeds minder nodig worden om cursussen en dergelijke te volgen, laat staan rond de computer een schoolvak te bouwen.

Je leert kinderen op de basisschool geen specialistische dingen. Je leert ze ook niet autorijden, al worden ze vast betere automobilisten als ze jong beginnen, is dat voor hun beroepsperspectief gunstig, en zouden ze graag willen. In de eerste groepen van de basisschool ligt de nadruk, en hoort deze te liggen, op algemene sociale en motorische bezigheden als vingerverven of hutten bouwen. De beroemde oog-handcoördinatie waar makers van pc-spelletjes voor kleuters mee schermen, hoort daar nadrukkelijk niet bij. Als er iets is wat computerdebutanten van alle leeftijden (op een enkele politicus na) onmiddellijk begrijpen, is het wat een muis doet. Het potlood en de schaar zijn voor de oog-handcoördinatie belangrijker.

Natuurlijk heeft de computer op school zijn nut. Hij kan lesstof overhoren, informatie helpen zoeken, en werkstukken helpen maken. Alleen een computeranalfabeet kan verzinnen dat je kinderen daarvoor 'computerles' (op de middelbare school: 'informatica') zou moeten geven. Als ze aardrijkskunde moeten doen op de pc, laat je ze zien hoe het betreffende programma werkt; als ze een encyclopedie moeten gebruiken leer je ze hoe dat moet. Geef ze dat ene trucje dat ze nodig hebben; als ze verdere belangstelling hebben merk je dat wel. Je legt ook niet uit hoe een balpen werkt. Je maakt ze wegwijs in de catalogus van de bieb, maar ze hoeven niet te weten hoe je een catalogus máákt. En autotechniek is niet voor niets geen onderdeel van het rijexamen.

Iets heel anders is de kopieerwoede die op scholen heeft toegeslagen. Ik heb niet de indruk dat mijn kinderen van hun werkstukken ook maar één zin zelf schrijven. Ze nemen Encarta, of een zoekmachine op internet, en slaan aan het knippen en plakken. Van controle door leerkrachten, bijvoorbeeld door vragen over de inhoud of de werkwijze, merk ik niets. Het zou heel makkelijk zijn om hier wat aan te doen. Eis een bepaalde opbouw. Laat ze met de hand schrijven. Verlang dat een werkstuk met de helft wordt ingekort. Niets van dat alles. Wat van een werkstuk wordt beoordeeld is de vormgeving, constateerde mijn zoon onlangs tevreden. Het lijkt erop dat de school het allang best vindt dat het nadenken wordt afgeschaft, zolang er maar met de computer wordt gewerkt.

Er zijn redenen om het gebruik van de computer door kinderen streng te beperken. In september 2000 sprak 'Alliance for Childhood', een non-profit groepering van Amerikaanse psychologen en pedagogen, in een rapport ongerustheid uit over de groeiende rol van de computer in het onderwijs. Computers en internet zouden kinderen weerhouden van omgaan met elkaar en met volwassenen. Scholen worden volgestouwd met computers, terwijl er steeds minder geld is voor onderwijzers, boeken, oriëntatie op muziek en kunst, en schoolreisjes. Kinderen die schrijven en tekenen op de computer ontwikkelen een weerzin tegen werken met de hand, omdat dat er minder gelikt uit ziet. Kinderen worden niet gevoelig voor elkaars emoties, juist in een periode dat hun sociale vaardigheden zich ontwikkelen. 'Alliance for Childhood' bracht computergebruik zelfs in verband met de toenemende zwaarlijvigheid onder Amerikaanse kinderen (en dat deed in een reactie ook een zegsman van TNO Arbeid in Nederland). Kinderen zouden niet voor tienjarige leeftijd met computers in aanraking moeten komen, en daarna zou een half uurtje per dag genoeg zijn.

Dat laatste adviseerde 'Alliance for Childhood' met het oog op RSI, de bewegingsziekte onder kantoorwerkers. Niet alleen de sociale vaardigheden van kinderen zijn in ontwikkeling, hun lichaam is dat ook. Niet dat de schadelijkheid van computerwerk bewezen is, maar het tegendeel is dat evenmin. Nu RSI epidemische vormen aanneemt, moet je het zekere voor het onzekere nemen. Zeker aangezien de positieve effecten van het computeren ook onbewezen zijn.

In november waarschuwde bij de BBC de Australische arts Leon Straker, van de Curtin Universiteit in Perth, voor RSI bij kinderen. Na onderzoek met spiegels en elektroden van de houding van computerende kinderen sprak hij de vrees uit dat duizenden kinderen al last hebben van medische problemen die hier het gevolg van zijn. Hij ging zover te spreken van een 'mogelijke wereldwijde ramp.' Scholen passen het meubilair bij hun computers niet aan aan individuele kinderen. Daardoor is de werkhouding haast per definitie verkeerd. Enkele jaren geleden hebben verschillende werknemers met RSI processen gewonnen tegen werkgevers of computerfabrikanten. De scholen mogen wel uitkijken.

Als er sprake is van een overdosis computerwerk, zal een belangrijk deel thuis plaatsvinden. Ouders hebben een verantwoordelijkheid en moeten letten op de werkhouding, het meubilair, het licht en het aantal computeruren. Mijn 14-jarige zoon zegt klachten te hebben en ziet zelf af van de aanschaf van een pc. Heel verstandig. Dit soort bedreigingen lijkt mij veel ernstiger dan die van het zedeloze internet. Hoe zit het eigenlijk daarmee?

Ouders, scholen en bibliotheken overal ter wereld breken zich het hoofd hoe ze uitingen van sex, racisme en geweld, virussen en hack-activiteiten buiten kunnen houden. Wat de laatste twee betreft, dat zijn technische zaken waarvoor oplossingen bestaan. Deze zijn nooit perfect, maar in de juiste handen bieden ze een behoorlijke beveiliging. Het weren van inhoud is moeilijker. Er wordt veel geld besteed aan 'filters', die alleen goedgekeurd materiaal binnenlaten, of inhoud van bepaalde bronnen, of met bepaalde eigenschappen, buitensluiten.

De eerste mogelijkheid, alleen goedgekeurd materiaal binnenlaten, is een ernstige beknotting. Nou was de aardigheid van internet juist dat de hele wereld voor je openlag, en dan worden er kunstmatige beperkingen gecreëerd! Je zult altijd talloze dingen missen die je er eigenlijk graag bij had gehad. Het Nederandse Kennisnet (die náám!), een van internet afgeschermde speeltuin, is om die reden een doodgeboren kind.

Specifieke dingen weren heeft ook ongewenste effecten. Filters kunnen slecht werken, of door kwaadwillenden met opzet worden ontweken. Een techniek om pornografische foto's te weren op grond van de overheersende kleur (die van menselijke huid) illustreert beide mogelijkheden. Een foto kan afwijkend van kleur zijn door slechte kwaliteit of door de wijze van opnemen, bijvoorbeeld met rood licht, of doordat is gekozen voor zwartwit. Een foto kan door de mazen van het net glippen doordat hij door de maker in negatief is gezet, een bewerking die door een ontvanger makkelijk is ongedaan te maken, of doordat hij is getransformeerd tot een zip-bestand, dat niet eens als foto te herkennen valt. Dit laatste foefje wordt ook door verspreiders van illegale mp3-muziek veel toegepast. De techniek die op kleur beoordeelt, weert ook portretfoto's en vakantiekiekjes met veel badpakken.

Al dat zenuwachtige gedoe miskent een aantal eenvoudige waarheden van alledag. Bijvoorbeeld dat ook op straat kinderen gevaar lopen. Dat ze op de televisie volop met sex en geweld worden geconfronteerd. Internet hoeft nou ook weer niet veiliger te zijn dan de rest van het leven. Ook hier zien we weer de onwennigheid van ouderen, die banger zijn voor het medium dan voor de inhoud, althans strengere maatstaven aanleggen voor internet dan voor de vertrouwde televisie. Bovendien zijn kinderen in seks en geweld juist geïnteresseerd, en weten ze aan het begeerde materiaal toch wel te komen. Wie heeft er als puber niet kwijlend in seksboekjes zitten bladeren? Ik in elk geval wel. Verbieden heeft geen zin, onmogelijk maken bestaat niet. Beter kunnen ouders en scholen afstappen van de misvatting, de laatste die ik wil noemen, dat de computer de opvolger is van de televisie als volautomatische kinderoppas. Kinderen moeten niet teveel aan de computer zitten, en als ze dat toch doen hebben ze enige begeleiding nodig. Niet van een in de computer verstopte automaat, maar van volwassenen. Die begeleiding krijgen ze op school, bij hun eerste kilometers in het verkeer, op clubs. Omdat ze niet handig en niet verstandig genoeg zijn.

dinsdag 10 april 2018

Facebook weer op z'n gezicht


Pluspost.nl, 21-2-2009

Facebook maakt er een gewoonte van ongeveer een keer per jaar zijn eigen gebruikers stevig te schofferen. In een vernieuwde 'gebruiksovereenkomst' pikte Facebook alle rechten in op materiaal van de gebruikers. En moest, zoals zo vaak, bakzeil halen.

De eerste keer was in 2006. Facebook voerde een nieuwtje in, genaamd News Feed. Wanneer iemand iets aan zijn Facebook-pagina's veranderde, zorgde News Feed ervoor dat al zijn 'vrienden' dit automatisch te weten kwamen via een bericht dat op hún pagina verscheen. Dus: een fotootje erbij geplaatst, lid geworden van een Facebook-discussiegroep over pannekoeken bakken, je relatie uitgemaakt - alle vrienden werden per omgaande gewaarschuwd.

Arme Facebook-directie. Het was zo goed bedoeld. Op deze manier zouden de sociale verbanden die er toch al waren, worden versterkt. Alle informatie die al die vrienden op deze manier kregen konden ze ook zien als ze de moeite namen naar de pagina van de betreffende Facebooker te gaan. Toch bleken de gebruikers een groot verschil te ervaren. Ideaal voor stalkers, werd geroepen. 500.000 van de toenmalige tien miljoen gebruikers (inmiddels 175 miljoen) tekenden een online petitie. Klaarblijkelijk vonden deze mensen dat niet al hun Facebook-vrienden vrienden waren in de ouderwetse zin van het woord. Facebook was genoodzaakt een aantal knopjes aan te bieden waarmee mensen konden controleren wat er met News Feed werd meegestuurd en wat niet.

Facebook leerde er niet van. Een jaar later, in 2007, maakte het bedrijf het nog bonter. Nu ging het niet om een goedbedoelde dienst, maar om een manier om geld te verdienen. Beacon was de naam. Bedrijven konden adverteerder worden bij Beacon en dan gebeurde het volgende. Als gebruiker X van Facebook iets kocht bij Beacon-adverteerder Y, zorgde Facebook ervoor dat al zijn 'vrienden' een bericht kregen dat X een artikel van merk Y had gekocht. Marketingtechnisch een interessant idee, het gebruiken van sociale relaties bij commerciële aanbevelingen. Alleen had Facebook even vergeten de gebruiker, in casu persoon X, de controle in handen te geven. Hij zou ervoor moeten kunnen kiezen niet aan Beacon mee te doen, beloond moeten worden als hij dat wel deed, en hij zou uitzonderingen moeten kunnen maken.

Nu kon het gebeuren dat iemand een mooie ring kocht voor zijn vriendin en dat dezelfde vriendin via Facebook over de aanschaf vernam. En de fictieve voorbeelden van wat er mis zou kunnen gaan waren - uiteraard - nog gekker. Wat als je condooms met aardbeiensmaak kocht, of een mooie opblaaspop, en je hele vriendenkring werd verwittigd? Facebook moest opnieuw achteraf controlemogelijkheden inbouwen.

En in januari jongstleden veranderde Facebook stilletjes de gebruiksovereenkomst. Dat is zo'n juridisch verhaal dat iedereen moet goedkeuren bij het afsluiten van een account. De tekst wordt opzettelijk zo onleesbaar geschreven dat niemand hem leest. Meestal staat er onder andere in dat hij zonder nadere aankondiging gewijzigd kan worden - wat in dit geval dus gebeurde. Er stond opeens:

"You hereby grant Facebook an irrevocable, perpetual, non-exclusive, transferable, fully paid, worldwide license (with the right to sublicense) to use, copy, publish, stream, store, retain, publicly perform or display, transmit, scan, reformat, modify, edit, frame, translate, excerpt, adapt, create derivative works and distribute (through multiple tiers), any User Content you Post…"

Kortom, Facebook mag met  jouw foto's, video's en verhalen alles doen wat de advocaten in een avondje brainstormen bij elkaar hebben kunnen verzinnen, voorgoed, voor niets. Opnieuw was het huis te klein en alweer moest Facebook door het stof. Het was een misverstand, het was zo niet bedoeld, dat werk. Kletskoek, over dit soort teksten wordt ontzettend lang nagedacht. En als het nadenken is afgelopen wordt genadeloos zichtbaar wiens belang de bedenkers op het oog hebben gehad. Zo kom je erachter wie je vrienden zijn. De oude gebruiksovereenkomst geldt nu weer, voorlopig.

Laatst zei ik tegen een kennis: Facebook, dat is voor Amerikanen. Wij hebben Hyves. Dat bleek een misvatting. De kennis had zelf al een account bij Facebook, want daar kon je echt niet meer omheen. Maar ik ben blij dat er zelfs geen fotootje van mij op een harde schijf van Facebook staat. De jonge directeur Mark Zuckerberg is een doorgewinterde nerd en het lijkt alsof dat te zien is in de acties van het bedrijf: 's Werelds grootste sociale netwerk heeft geen greintje gevoel voor sociale relaties.

dinsdag 13 februari 2018

1000 meter toch eerlijk


(NRC Handelsblad, 16-2-2006)


Vier jaar geleden, bij de Olympische Winterspelen in Salt Lake City, deed zich een curieus verschijnsel voor op de 1000 meter schaatsen. Zowel bij de mannen als bij de vrouwen werden alle medailles gewonnen door rijders die in de binnenbaan waren gestart.

Wie op de 1000 meter (2 ½ rondje) in de binnenbaan start, rijdt één keer vaker een binnenbaan dan de tegenstander. Deze rijder heeft ook de laatste binnenbocht. Daardoor kan hij met wat geluk op de laatste wissel pal achter de tegenstander uit de wind rijden. In de laatste bocht kan hij zich aan de tegenstander optrekken. Het leek dus goed verklaarbaar dat binnenbochtrijders in het voordeel waren. Schrijver dezes pleitte destijds op deze pagina, met wat slagen om de arm, voor het tweemaal rijden van de 1000 meter, zoals dat bij wereldkampioenschappen sprint al gebeurt.

Zeker was het niet dat er een effect bestond, juist omdat alle rijders maar één keer gestart waren. Misschien hadden toevallig de sterkste schaatsers de binnenbaan geloot.

Op 21 en 22 januari van dit jaar werden in Heerenveen de wk sprint gehouden. De binnenbochtrijders van de eerste 1000 meter startten op de tweede dag in de buitenbocht. Daarom was hier een mooie kans de kwestie voorgoed te beslechten. Het zou mogelijk zijn van het hele veld aparte klassementen te maken voor de binnenbocht en voor de buitenbocht, en deze te middelen. Dan zou vanzelf blijken of op de 1000 meter starten in de binnenbocht voordelig is. In de gemiddelden zouden verschillen in omstandigheden tussen de eerste dag en de tweede vanzelf worden opgeheven.

De waarnemingen werden gedaan voor de televisie. Dit zorgde voor een geforceerde selectie van de gegevens. Op de tweede dag werden alleen de ritten 10 tot en met 25 uitgezonden. Omdat hierin de 32 sterkste rijders van de eerste dag optraden was dit geen probleem. Integendeel: de zwakke Oostenrijker Goerlitz bijvoorbeeld was de tweede dag in de buitenbocht vijf seconden sneller dan de eerste dag en had daarmee de metingen aardig kunnen bederven. Nu viel hij vanzelf uit de tabellen.

Van elke rijder werd de tussentijd na 200 meter genoteerd en de eindtijd. Die tussentijd is belangrijk omdat een eventueel effect te wijten zou kunnen zijn aan de eerste binnenbocht of juist aan de laatste.

De resultaten, kort samengevat. De eerste dag waren bij de zes snelste tussentijden vijf binnenbochtrijders. Dat gaf hoop op een baanbrekend resultaat. In de eindtijden was het andersom: bij de eerste acht zes uit de buitenbocht. De tweede dag maakte de verwarring compleet. In de eerste tussentijden was geen serieus patroon te ontdekken (of het moest een licht overwicht voor de buitenbocht zijn), maar de eerste vijf eindtijden waren van binnenbochters! Was deze tweede rit de Olympische race geweest dan had ondergetekende weer moord en brand geschreeuwd.

Nu is duidelijk dat het aan de loting ligt. Onder de vijf schaatsers die beide dagen bij de eerste acht eindigden, waren er vier die de eerste dag in de buitenbocht van start gingen. Deze sterke kilometerrijders zijn niet de snelste starters. Daarmee zijn de patronen wel ongeveer verklaard - de rest is ruis.

Tellen we alle tijden bij elkaar op van rijders die in de binnenbocht zijn gestart (zestien deden dat dus op de eerste dag, de andere zestien op de tweede) dan heeft het hele veld een gemiddelde eerste tussentijd van 16,789 seconde en een eindtijd van 1:11,15. Startend in de buitenbaan doen ze gezamenlijk 16,793 respectievelijk 1:11,10. Geen significante verschillen.

Starten in de binnenbocht is op de 1000 meter dus geen voordeel. In Turijn gaat zondag de beste winnen.

woensdag 24 januari 2018

Een exhibitionistische jackpot


(NRC, 10-8-2009)


Vandaag keert de Staatloterij de grootste jackpot ooit uit: 27,5 miljoen euro. Belastingvrij. Vroeger noemden we dat zestig miljoen gulden. De prijs zal zeker vallen en als het winnende lot niet in vijven is gesplitst of is gekocht door een vereniging, zal één persoon dit bedrag opstrijken.

Als die 27,5 miljoen een bonus was voor een bankdirecteur zou het land te klein zijn. Exhibitionistische beloningen! Is het anders als je een willekeurige loterijdeelnemer met zo'n hoeveelheid geld opzadelt? Is dat überhaupt ethisch? Bij een bankdirecteur lijkt me de kans dat hij zinvol met het geld weet om te gaan heel wat groter, en hij raakt niet van zijn sociale omgeving geïsoleerd.

Wat moet een mens met 27,5 miljoen euro? Daar heb je tegenwoordig bijna twéé Klaas-Jan Huntelaars voor, maar dan? Ik beantwoord liever de vraag voor een tiende van dat bedrag.

Er zijn natuurlijk tal van manieren om 2,75 miljoen te besteden. Eén is de volgende. Driekwart miljoen geef je uit aan een schitterend huis, de auto die je altijd al wilde hebben en een wereldreis - of welke combinatie van hartewensen dan ook. Twee miljoen beleg je. 5% rendement is niet zo moeilijk te halen; na aftrek van 1,2% belasting op het vermogen houd je een jaarlijks inkomen over van 3,8% van twee miljoen: 76.000 euro. Aangezien daar geen inkomstenbelasting over wordt geheven is dat gelijkwaardig aan een salaris van zo'n anderhalve ton. Vroeger noemden we dat 330.000 gulden en was het een bankierssalaris. Woonlasten zijn er nauwelijks want het huis is al betaald. Bedenk dat hierbij van het kapitaal van twee miljoen niets wordt opgemaakt. Als je eenmaal oud genoeg bent, smijt je dat lekker alsnog over de balk, tenzij je het aan je erfgenamen gunt.

Wat hieruit blijkt is dat je met een tiende van de jackpot van vandaag iemand een financieel zorgeloos leven kunt geven. Nooit meer werken, schitterend wonen, een prima inkomen. Wat is dan de diepere gedachte achter het uitloven van een prijs die tien keer zo hoog is? De reclamespots van de Staatsloterij wekken de indruk dat 27,5 miljoen euro echt véél geweldiger is dan pakweg tien of twintig miljoen. Dat slaat nergens op. Je bezorgt mensen een geldinfarct, dat is alles.

Waarom één persoon belasten met zo'n megabedrag als je er tien gelukkig kunt maken? Dat kan heel eenvoudig. Je laat de jackpot maandelijks groeien zoals altijd. Stel het maximumbedrag per persoon op drie miljoen (of een bedrag in die buurt). Bij de trekking verloot je een x-aantal jackpots, die allemaal wel of niet kunnen vallen. Een restbedrag blijft in de jackpot.

Dat is niet alleen veel beter voor de winnaars, ook voor de Staatsloterij zelf. Die kan dan adverteren met een veel grotere (maximaal tien keer zo grote) kans op levenslange rijkdom. Weg dus met de exhibitionistische jackpots. Een miljoen of drie is meer dan genoeg.