vrijdag 18 mei 2018

We slaan maar een slag naar de risico's van tech

(THINK, 2016 [updated 2018])

Moeten we bang zijn voor de Revolutie van de Robots? Blikken mannetjes die de macht overnemen? Of juist kunstmatige intelligentie zónder armpjes en beentjes van ijzer? Heilzaam of gevaarlijk? De computer HAL in de film 2001, A Space Odyssey liet in 1968 al zien waar mensen bang voor waren qua op hol geslagen computertechniek. Sorry Dave, I can't let you do that.

ECP, een belangenorganisatie van de digitale industrie, vindt dat we niet zo bang moeten zijn. Dat is slecht voor de innovatie. ECP werkt aan een gedragscode voor kunstmatige intelligentie dus alles  komt goed.

Direct betrokkenen die de gevaren maar overdreven vinden. Twee jaar geleden had je dat ook.
60% van de deskundigen zei in een enquète te verwachten dat het wel losliep met de gevaren van kunstmatige intelligentie. Een kwart was er minder gerust op. Ik denk in zo'n geval onmiddellijk: als ik net als zij mijn brood verdiende in die sector, zou ik ook niet al te hard waarschuwen. Intussen waarschuwen verschillende mensen met een heel relevante achtergrond juist wel, bijvoorbeeld superondernemer Elon Musk en onlangs overleden stergeleerde Stephen Hawking. Zijn hebben géén verstrengelde belangen dus zijn allicht objectiever.

Maar laten we ook eens kijken naar soortgelijke gevallen uit het verleden. Rond 1980 werd gewaarschuwd voor de 'tovenaarsleerlingeffecten' van sleutelen aan genen. Deskundigen met een salaris spraken sussende woorden; milieubeschermers en andere onafhankelijke lieden hieven het vingertje. In dit geval bleken de experts, belangen of niet, gelijk te hebben. Ik weet nog hoe een prominent onderzoeker het me in een paar woorden uitlegde: een bacterie die wij een medicijn laten produceren, is daar energie aan kwijt. Die staat als hij ontsnapt dus altijd op achterstand ten opzichte van zijn concurrenten in de natuur, en zal niet overleven. De natuur sleutelt en muteert trouwens veel harder dan de mens dat kan. Inmiddels wordt er al decennia door de mens aan genen gesleuteld zonder ongelukken.

Als je meer van dit soort gevallen bekijkt, valt op hoe waardeloos toekomstvoorspellingen altijd zijn geweest – de waarschuwingen én de heilsverwachtingen. In de jaren '50 en '60 leken vliegende auto's binnen handbereik, net als spotgoedkope energie uit kernfusie en robots voor het huishouden. En kijk nu eens, vijftig jaar later: de vliegende auto is nog stééds over twee jaar op de markt, en er komen nog altijd hoopvolle persberichten uit de kernfusielaboratoria. De zorgrobot is het paradepaardje van Eindhoven en Delft. Alleen moeten video's van wedstrijden tussen zulke robots met een factor tien worden versneld, anders beweegt er niks.

Iedereen heeft het altijd mis. De eerste gebruikers van het kersverse internet zagen begin jaren '90 alleen maar schitterende mogelijkheden. Een krachtig hulpmiddel voor het onderwijs. Een steun in de rug voor de democratie. Onbelemmerde ontplooiing voor iedereen. Culturele vernieuwing. In plaats daarvan zitten leerlingen in de klas nu te facebooken en te snapchatten. Politici worden uitgescholden en bedreigd op sociale media. Alleen de allerkortste berichten en video's worden behoorlijk bekeken. En de grote culturele vernieuwing van deze eeuw is het YouTube-kanaal van Enzo Knol. Omgekeerd waren ook de angsten voor umts-masten die tien jaar geleden tot een proces leidden, vrijwel zeker onterecht.

En om het nog een keer om te draaien, waar zijn de angsten als je ze nodig hebt? Voor klimaatverandering is in de vorige eeuw terecht gewaarschuwd maar er is ten onrechte niet naar geluisterd. En dan dit: stel ik presenteer een nieuwe technologie een wervend praatje. Het maakt het leven van mensen leuker en makkelijker, gaat massa's banen scheppen en de welvaart aanmerkelijk verhogen. Het is verder prima tegen eenzaamheid. Er is alleen één kleinigheid: het kost ruim een miljoen doden per jaar, drie keer zoveel als alle oorlogen en moorden samen. Maar dat is het wel waard, toch?

U schopt me waarschijnlijk de straat op, waar ik prompt word geschept door een voorbijkomende automobiel.

Ik heb het natuurlijk over het gemotoriseerde verkeer. Dat van die doden waren ze in 1900 even vergeten te voorspellen.

Gezien het bovenstaande verwacht ik dat kunstmatige intelligentie gevolgen zal hebben die nu door niemand worden voorzien. Maar het zal ons onvermijdelijk overkomen, we zullen eventuele rampspoed onbewust accepteren en over honderd jaar zal niemand zich een wereld zónder kunnen voorstellen.


dinsdag 15 mei 2018

De recensies

(NRC Handelsblad, december 1998)

Het lijkt wel of de televisierecensenten gisteren hadden afgesproken elkaar niet in de wielen te rijden. Vijf besprekingen, geen enkele doublure. Dat wijst op een televisieaanbod zonder hoogtepunten, zonder verplichte nummers, zodat ieder zijn eigen plan kon volgen.

Han Lips in Het Parool besteedde zijn halve kolom tabloidformaat aan het navertellen van een aflevering van The Simpsons op BBC 2. De  vraag 'Is dit leuk?' beantwoordde hij met 'Gisteren wel,' jammer genoeg zonder te zeggen waarom. Lips besloot curieus met: 'Toch moet de les zijn dat je nooit moet proberen een aflevering van The Simpsons na te vertellen.' Die les had hij logischerwijs geleerd voordat hij zijn stukje inleverde, maar kennelijk te kort voor de deadline om er zelf van te profiteren.

AD's 'Ik' had gekozen voor Radar, de consumentenrubriek van de TROS, die deze keer ging over postorderleed. Beschreef wat eigen postorderproblemen en een paar gevallen uit de uitzending. Verder eigenlijk niets. Het Parool en het AD maken het zichzelf moeilijk met recensies van niet meer dan 250 woorden maar doen geen moeite het beste ervan te maken. Gisteren in ieder geval kwamen ze niet boven het niveau van paginavulling uit.

Ruud Verdonck, het media-instituut van Trouw, nam de KRO-avond onder de loep en kwam wèl verder dan een beschrijving van wat hij had gezien. Hij schetste het langzaam groeiende succes van de komedie Toen was geluk heel gewoon en maakte melding van zijn weerzin tegen de truttigheid van dit programma. Terecht, een recensent moet zijn mening niet verhullen. Er volgde een vergelijking met de inzakkende populariteit van Ook dat nog, en Verdonck kwam met de hypothese dat de dalende kijkcijfers van dit programma Aad van den Heuvel welgevallig zouden zijn. Dat Van den Heuvel bij de KRO min of meer gedwongen wordt met dit succesvolle programma door te gaan is interessante achtergrondinformatie. Maar de suggestie dat bij Ook dat nog studiogasten zijn geïntroduceerd om het programma minder consistent te maken en het zo´een stapje terug' te laten doen is vergezocht. Verdoncks stukje eindigde nogal ongelukkig met een volkomen mislukte zin over Toen was geluk heel gewoon: 'Maar het blijft elke week weer vreselijk wennen, dat dit blijkbaar het leukste is wat hier te bieden valt.' Lesstof voor het VWO of de School voor Journalistiek: maak deze zin korter, correcter en duidelijker.

NRC geeft zijn recensent twee keer zoveel ruimte als Trouw doet, en drie keer zoveel als het AD en Het Parool. Maarten Huygen kan dus vrij zorgeloos uit programma's citeren en hun sfeer beschrijven. Ook kan hij meer programma's behandelen. Zijn mening geeft hij vooral tussen de regels door: naar aanleiding van Taxi gaf hij gisteren zijn eigen voyeurisme toe en stelde hij vast, niet wereldschokkend, dat leed de grondstof is voor de beeldindustrie. Van Dokument: Westeinde, over een ziekenhuis in Den Haag, prees hij de afstandelijke cameravoering. Huygen vertoont geen Frits Abrahams-complex maar kan zijn voorganger nog niet doen vergeten.
Als enige had de recensent van NRC het interview met Connie Palmen gezien van BBC World. Inderdaad een buitenkansje; journalisten van overzee die zich komen afvragen wat er zo goed is aan dit succesnummer. Huygen had wel mogen benadrukken dat hij dit interview kon zien dank zij het verdwijnen van CNN van de Amsterdamse kabel. BBC World is daarvoor immers in de plaats gekomen. Na alle gedram over CNN door de Jan Blokkers van deze wereld had dat geen kwaad gekund.

In De Volkskrant trok Cornald Maas van leer tegen de produkten die de commerciële televisie maakt van de grondstof leed. Een makkelijk doelwit, al was Maas nog te mild over Robert ten Brink. Hij noemde All you need is love 'onschuldig', maar het feit dat er nu veel meer van dergelijke troep wordt gemaakt dan in het beginjaar 1992 lijkt me nauwelijks een argument. Waarom mensen wel tegen zichzelf beschermd moeten worden als ze brieven schrijven aan Hennie Huisman en niet als Ten Brink de geadresseerde is, ontgaat me. Een eye opener was Maas' waarneming dat in het emotionele duw- en trekwerk vrouwen langer weifelen, en dan krachtiger besluiten dan mannen. Waar zijn eigenlijk de vrouwelijke recensenten?

woensdag 9 mei 2018

Online reclame moet 'licht' en veilig zijn


(FD 2015)

Het gebruik van adblockers is begrijpelijk want veel reclame is opdringerig in niet leuk, stelt VEA-directeur Wijnnobel in deze krant (21 oktober). Het is goed dat de branche de hand in eigen boezem steekt. Maar Wijnnobel ziet een aantal belangrijke redenen om adblockers te gebruiken over het hoofd. Het is daarom onvoldoende om, zoals Wijnnobel en anderen in het artikel voorstellen, advertenties minder irritant te maken.

Een belangrijk probleem met online advertenties is dat ze te 'zwaar' zijn: ze bevatten teveel data. Bij pc's met vaste verbindingen leverde dit alleen ergernis op doordat pagina's trager laadden. In het mobiele tijdperk knellen die zware advertenties aan alle kanten. Ze laten allerlei onderdelen van smartphone, tablet of laptop harder werken en bekorten zo de batterijduur. Een adblocker kan het verschil betekenen tussen het volgende stopcontact halen met een werkend apparaat, of niet. En een lege accu kan een dure grap zijn als je daardoor cruciale berichten mist of belangrijke informatie niet kunt zoeken.

Alle data die nodig zijn voor reclame trekken ook een wissel op de databundel van de gebruiker. Die is daardoor eerder op. Een opgebruikte databundel heeft óók tot gevolg dat je niet verderkunt, tenzij je ter plekke data bijkoopt bij je provider of een duurder abonnement neemt. Hier kan een adblocker een concrete financiële besparing betekenen.

Dat dit geen fictie is, is onlangs gebleken door een onderzoek van de New York Times. Die nam vijftig Amerikaanse nieuwssites onder de loep. Uit de metingen bleek dat bij negen van de tien sites advertenties een- tot tweederde van de data voor hun rekening nemen. Een adblocker scheelt dus echt een slok op een borrel.

Commerciële boodschappen moeten daarom behalve onderhoudender ook 'lichter' worden. Oppervlakkig bezien zijn die twee met elkaar in strijd. Met kleur kun je meer dan met zwartwit. Met bewegende beelden meer dan met stilstaande. Mét audio, 3D of interactiviteit meer dan zonder. In alle gevallen kosten rijkere opties in principe meer data. Dat wordt dus een hele uitdaging. Maar bewuster ontwerpen is waarschijnlijk al een goed begin.

Het doel moet zijn dat de eindgebruiker een verwaarloosbaar percentage van zijn data kwijt is aan reclame (dan zal het beslag op de accu evenredig meedalen). 10% zou een goede norm kunnen zijn. In het onderzoek van de New York Times zijn al sites te vinden die daaronder blijven, namelijk The Guardian en Yahoo. Het kan dus. Websites en reclameïndustrie hebben hierbij een gezamenlijk belang en moeten dus samenwerken: reclamemakers moeten data-arm ontwerpen, maar alleen de websites kunnen berekenen of de redactionele content van een pagina en de bijbehorende reclame met elkaar in verhouding staan.

Is daarmee alles geregeld? Zeer zeker niet. Advertenties vormen ook een serieus veiligheidsprobleem. In het recente verleden zijn verschillende grote Nederlandse en internationale nieuwssites door cybercriminelen misbruikt om via advertenties virussen te verspreiden (die daarna de eigenaar van het besmette apparaat konden proberen te bestelen). Deze zomer was Yahoo nog slachtoffer van een degelijke actie. Er zijn experts op het gebied van computerveiligheid die aanraden een adblocker te gebruiken, puur uit oogpunt van beveiliging.

Om dit probleem op te lossen is het bijvoorbeeld nodig dat Flash, de programmeertechniek voor webpagina's, wordt afgeschaft. Deze zit vol lekken die de computers van eindgebruikers openstellen voor 'malware.' Maar ook moeten de servers van advertentiemakelaars beter worden beveiligd, zodat criminelen niet zomaar hun kwaadaardige advertenties tussen bona fide reclameuitingen kunnen smokkelen.

De opdracht voor de reclameïndustrie is, kortom, heel wat ingewikkelder dan wat meer entertainment in advertenties stoppen.

vrijdag 20 april 2018

Internet in een jonge wereld (1997)


Vandaag, 21 april 2018, is in het nieuws dat de 'prestaties' van kinderen bij de gymles behoorlijk achteruitgaan. Vangen van een bal is vaak al een probleem. De onderzoekers zien een verband met minder bewegen en met meer gamen en sociale media. Beperken van schermtijd wordt steeds meer bepleit. 
Meer dan 20 jaar geleden werd hoog opgegeven van alle goeds dat computeren kinderen zou brengen. Zo zou werken met de muis goed zijn voor de oog-handcoördinatie. Maar dat dat vooral hysterie was, was echt wel te zien voor wie goed keek. In die tijd schreef ik dit stuk, waarvan een verkorte versie verscheen in mijn boek 'Mythen van het computertijdperk' (Meulenhoff). Ik pleit hier onder andere voor schaar en papier in plaats van gedoe met de muis. Zwaarlijvigheid en slecht worden in gym stonden nog niet op mijn radar.


Over kinderen en computers zijn de meest verschrikkelijke misverstanden in omloop.

Het begint al met de wijdverbreide mening dat kinderen handig zijn met computers. Dat zijn ze niet. Ik vraag u: zijn kinderen handig op de fiets? Ja, onder de juiste omstandigheden leren ze er snel gebruik van te maken (je moet ze niet dwingen iets te leren). Maar op de buitenwereld maakt dat weinig indruk, omdat iedereen kan fietsen. Bovendien ziet iedereen die kan fietsen dat kinderen in eerste instantie veel niet kunnen: zich houden aan de verkeersregels bijvoorbeeld.

Dus waarom vinden sommige mensen dat kinderen handig zijn met computers? Omdat ze zelf onhandig en angstig zijn, en omdat ze het normale leervermogen van kinderen voor iets mystieks verslijten zodra er computers in het spel zijn. De meeste kinderen beheersen op de computer een enkel trucje, hun favoriete spelletje bijvoorbeeld, en worden daarin snel vingervlug. Ik herinner me nog de openvallende mond van mijn buurman toen mijn zoon, drie jaar oud, zonder één aarzeling het commando BLOAD"CAS:",R intikte. Aap-noot-mies kende hij niet, maar dit wel.

Kinderen kunnen uit het hoofd leren, maar hebben geen ervaring. Zelf zie ik door mijn computerkennis wat ze in eerste instantie niet kunnen. 'Pappa kun je even komen, m'n verhaal is weg.' (Door een verkeerde klik is de tekst uit beeld geschoven.) 'M'n wachtwoord klopt niet meer.' (Tikfoutje, opnieuw proberen.) 'Ik wil stoppen, hoe moet dat?' (Control + Q, het staat er.) 'Het spelletje werkt niet.' (Verkeerde CD.) 'Niks werkt meer!' (Er ligt een boek op een knop van het toetsenbord.) Noemt u dat handig?

Natuurlijk zijn er kinderen die echt talent hebben voor 'computeren'. Maar er zijn ook pianisten en voetballers in de dop, dus ook dat is niets bijzonders. Een van mijn kinderen is op de computer inderdaad vrij handig, en kan zich er daardoor over verbazen hoe weinig zijn klasgenootjes kunnen. Net als veel volwassenen kunnen ze een briefje schrijven en een spelletje doen en niet veel meer.

Reden temeer om de computer in het onderwijs in te zetten, denkt u nu, liefst al in het basisonderwijs. Nee. Niet doen.

Onlangs schreef minister Van Boxtel op zijn website: 'Waarom zou je kinderen wel leren vingerverven of hutten bouwen en niet leren op een leuke en verstandige manier met computers om te gaan?' Het antwoord is, dat het niet nodig is. Het idee dat je dit als volwassene niet meer zou kunnen leren, wordt gelogenstraft door de talloze ouderen die op het ogenblik met succes internetcursussen volgen. Het enige vereiste is eigen nieuwsgierigheid (je moet ze niet dwingen iets te leren) en een beetje tijd - en deze zaken hebben senioren in ruimere mate dan werkende volwassenen.

Kinderen zullen later niets hebben aan de computerervaring die ze nu opdoen. Een jonge volwassene van nu zou tien jaar geleden op de basisschool met de tekstcommando's van MS-DOS hebben moeten werken. Twintig jaar geleden zou hij hebben moeten programmeren. Misschien een leuke start van een carrière in de ICT, maar voor de huidige kantoorpraktijk bijvoorbeeld volkomen irrelevant. En wat je nu leert, is over tien of twintig jaar weer nutteloos. Met computers moet je alleen leren wat je vandaag nodig hebt. De benodigde basisvaardigheden worden alleen maar makkelijker; het zal dus steeds minder nodig worden om cursussen en dergelijke te volgen, laat staan rond de computer een schoolvak te bouwen.

Je leert kinderen op de basisschool geen specialistische dingen. Je leert ze ook niet autorijden, al worden ze vast betere automobilisten als ze jong beginnen, is dat voor hun beroepsperspectief gunstig, en zouden ze graag willen. In de eerste groepen van de basisschool ligt de nadruk, en hoort deze te liggen, op algemene sociale en motorische bezigheden als vingerverven of hutten bouwen. De beroemde oog-handcoördinatie waar makers van pc-spelletjes voor kleuters mee schermen, hoort daar nadrukkelijk niet bij. Als er iets is wat computerdebutanten van alle leeftijden (op een enkele politicus na) onmiddellijk begrijpen, is het wat een muis doet. Het potlood en de schaar zijn voor de oog-handcoördinatie belangrijker.

Natuurlijk heeft de computer op school zijn nut. Hij kan lesstof overhoren, informatie helpen zoeken, en werkstukken helpen maken. Alleen een computeranalfabeet kan verzinnen dat je kinderen daarvoor 'computerles' (op de middelbare school: 'informatica') zou moeten geven. Als ze aardrijkskunde moeten doen op de pc, laat je ze zien hoe het betreffende programma werkt; als ze een encyclopedie moeten gebruiken leer je ze hoe dat moet. Geef ze dat ene trucje dat ze nodig hebben; als ze verdere belangstelling hebben merk je dat wel. Je legt ook niet uit hoe een balpen werkt. Je maakt ze wegwijs in de catalogus van de bieb, maar ze hoeven niet te weten hoe je een catalogus máákt. En autotechniek is niet voor niets geen onderdeel van het rijexamen.

Iets heel anders is de kopieerwoede die op scholen heeft toegeslagen. Ik heb niet de indruk dat mijn kinderen van hun werkstukken ook maar één zin zelf schrijven. Ze nemen Encarta, of een zoekmachine op internet, en slaan aan het knippen en plakken. Van controle door leerkrachten, bijvoorbeeld door vragen over de inhoud of de werkwijze, merk ik niets. Het zou heel makkelijk zijn om hier wat aan te doen. Eis een bepaalde opbouw. Laat ze met de hand schrijven. Verlang dat een werkstuk met de helft wordt ingekort. Niets van dat alles. Wat van een werkstuk wordt beoordeeld is de vormgeving, constateerde mijn zoon onlangs tevreden. Het lijkt erop dat de school het allang best vindt dat het nadenken wordt afgeschaft, zolang er maar met de computer wordt gewerkt.

Er zijn redenen om het gebruik van de computer door kinderen streng te beperken. In september 2000 sprak 'Alliance for Childhood', een non-profit groepering van Amerikaanse psychologen en pedagogen, in een rapport ongerustheid uit over de groeiende rol van de computer in het onderwijs. Computers en internet zouden kinderen weerhouden van omgaan met elkaar en met volwassenen. Scholen worden volgestouwd met computers, terwijl er steeds minder geld is voor onderwijzers, boeken, oriëntatie op muziek en kunst, en schoolreisjes. Kinderen die schrijven en tekenen op de computer ontwikkelen een weerzin tegen werken met de hand, omdat dat er minder gelikt uit ziet. Kinderen worden niet gevoelig voor elkaars emoties, juist in een periode dat hun sociale vaardigheden zich ontwikkelen. 'Alliance for Childhood' bracht computergebruik zelfs in verband met de toenemende zwaarlijvigheid onder Amerikaanse kinderen (en dat deed in een reactie ook een zegsman van TNO Arbeid in Nederland). Kinderen zouden niet voor tienjarige leeftijd met computers in aanraking moeten komen, en daarna zou een half uurtje per dag genoeg zijn.

Dat laatste adviseerde 'Alliance for Childhood' met het oog op RSI, de bewegingsziekte onder kantoorwerkers. Niet alleen de sociale vaardigheden van kinderen zijn in ontwikkeling, hun lichaam is dat ook. Niet dat de schadelijkheid van computerwerk bewezen is, maar het tegendeel is dat evenmin. Nu RSI epidemische vormen aanneemt, moet je het zekere voor het onzekere nemen. Zeker aangezien de positieve effecten van het computeren ook onbewezen zijn.

In november waarschuwde bij de BBC de Australische arts Leon Straker, van de Curtin Universiteit in Perth, voor RSI bij kinderen. Na onderzoek met spiegels en elektroden van de houding van computerende kinderen sprak hij de vrees uit dat duizenden kinderen al last hebben van medische problemen die hier het gevolg van zijn. Hij ging zover te spreken van een 'mogelijke wereldwijde ramp.' Scholen passen het meubilair bij hun computers niet aan aan individuele kinderen. Daardoor is de werkhouding haast per definitie verkeerd. Enkele jaren geleden hebben verschillende werknemers met RSI processen gewonnen tegen werkgevers of computerfabrikanten. De scholen mogen wel uitkijken.

Als er sprake is van een overdosis computerwerk, zal een belangrijk deel thuis plaatsvinden. Ouders hebben een verantwoordelijkheid en moeten letten op de werkhouding, het meubilair, het licht en het aantal computeruren. Mijn 14-jarige zoon zegt klachten te hebben en ziet zelf af van de aanschaf van een pc. Heel verstandig. Dit soort bedreigingen lijkt mij veel ernstiger dan die van het zedeloze internet. Hoe zit het eigenlijk daarmee?

Ouders, scholen en bibliotheken overal ter wereld breken zich het hoofd hoe ze uitingen van sex, racisme en geweld, virussen en hack-activiteiten buiten kunnen houden. Wat de laatste twee betreft, dat zijn technische zaken waarvoor oplossingen bestaan. Deze zijn nooit perfect, maar in de juiste handen bieden ze een behoorlijke beveiliging. Het weren van inhoud is moeilijker. Er wordt veel geld besteed aan 'filters', die alleen goedgekeurd materiaal binnenlaten, of inhoud van bepaalde bronnen, of met bepaalde eigenschappen, buitensluiten.

De eerste mogelijkheid, alleen goedgekeurd materiaal binnenlaten, is een ernstige beknotting. Nou was de aardigheid van internet juist dat de hele wereld voor je openlag, en dan worden er kunstmatige beperkingen gecreëerd! Je zult altijd talloze dingen missen die je er eigenlijk graag bij had gehad. Het Nederandse Kennisnet (die náám!), een van internet afgeschermde speeltuin, is om die reden een doodgeboren kind.

Specifieke dingen weren heeft ook ongewenste effecten. Filters kunnen slecht werken, of door kwaadwillenden met opzet worden ontweken. Een techniek om pornografische foto's te weren op grond van de overheersende kleur (die van menselijke huid) illustreert beide mogelijkheden. Een foto kan afwijkend van kleur zijn door slechte kwaliteit of door de wijze van opnemen, bijvoorbeeld met rood licht, of doordat is gekozen voor zwartwit. Een foto kan door de mazen van het net glippen doordat hij door de maker in negatief is gezet, een bewerking die door een ontvanger makkelijk is ongedaan te maken, of doordat hij is getransformeerd tot een zip-bestand, dat niet eens als foto te herkennen valt. Dit laatste foefje wordt ook door verspreiders van illegale mp3-muziek veel toegepast. De techniek die op kleur beoordeelt, weert ook portretfoto's en vakantiekiekjes met veel badpakken.

Al dat zenuwachtige gedoe miskent een aantal eenvoudige waarheden van alledag. Bijvoorbeeld dat ook op straat kinderen gevaar lopen. Dat ze op de televisie volop met sex en geweld worden geconfronteerd. Internet hoeft nou ook weer niet veiliger te zijn dan de rest van het leven. Ook hier zien we weer de onwennigheid van ouderen, die banger zijn voor het medium dan voor de inhoud, althans strengere maatstaven aanleggen voor internet dan voor de vertrouwde televisie. Bovendien zijn kinderen in seks en geweld juist geïnteresseerd, en weten ze aan het begeerde materiaal toch wel te komen. Wie heeft er als puber niet kwijlend in seksboekjes zitten bladeren? Ik in elk geval wel. Verbieden heeft geen zin, onmogelijk maken bestaat niet. Beter kunnen ouders en scholen afstappen van de misvatting, de laatste die ik wil noemen, dat de computer de opvolger is van de televisie als volautomatische kinderoppas. Kinderen moeten niet teveel aan de computer zitten, en als ze dat toch doen hebben ze enige begeleiding nodig. Niet van een in de computer verstopte automaat, maar van volwassenen. Die begeleiding krijgen ze op school, bij hun eerste kilometers in het verkeer, op clubs. Omdat ze niet handig en niet verstandig genoeg zijn.